Mijn kat.

Als mijn kat zich ’s zomers lekker uitstrekt,
Met haar dikke jasje dat ze niet zomaar even uittrekt.
Dan heb ik wel te doen met haar,
Toch wel warm dan, haar jasje is best wel zwaar.
Natuurlijk kan ik haar soms ook wel benijden,
Zij hoeft niet voor haar bestaan te strijden.
Wij mensen moeten met boodschappen lopen sjouwen,
Zodat we weer eten in ons en haar bekje kunnen douwen.
We moeten wassen, strijken en koken,
En wat huisvrouwen zoal nog meer dagelijks uitspoken.

Maar zij,
Is zo heerlijk vrij.
Vangt soms een vliegje,
Of een bij.
Verder tot niets verplicht,
Haar taakjes zijn zo heerlijk licht.

Soms komt ze eventjes kroelen,
Krabt wat aan kastjes en stoelen.
Gaat op z ’n tijd netjes op de bak,
Verder bestaat haar leventje uit puur gemak.
Soms lijkt het me zo fijn,
Gewoon een kat te zijn.

Dit bericht is geplaatst in Gedichten. Bookmark de permalink.